2.1 Ritmische modi en ritmische patronen

Het is handig begrippen te kennen die bepaalde ritmische patronen omschrijven. Hierna volgen er een paar.

Ritmische modi middeleeuwen
Veel ritmische interpretaties van wereldlijke, middeleeuwse liederen zijn gebaseerd op de zogenaamde ritmische modi (zoals uitgelegd in De mensurabili musica van Johannes de Garlandia (ca. 1240). Deze modi zijn analoog aan de versvoeten in de in de dichtkunst.

ritmische_modi (11K)

De figura corta uit de Barok:
De figura corta is een galop-figuur waarmee vreugde wordt uitgedrukt:

figura_corta (14K)   cd (1K) figura corta

Hopfiguur en stralende figuur, benamingen van Gehrels (1942):
Hop-figuur: hopfiguur (2K)
Stralende figuur: stralende (2K)

Mnemonische figuren, benamingen van Chevé (20e eeuw):
De franse musicus en docent Émile-Joseph Chevé (1804-1864) stelde voor om ritmische figuren 'namen' te geven zodat je ze gemakkelijk zou kunnen onthouden. Een paar voorbeelden:

ti-ti (2K)ti-ti
ti-tika (2K)ti-tika (of: lang-kort-kort)
tika-ti (2K)tika-ti (of: kort-kort-lang)
syn-co-pa (2K)syn-co-pa
tre-o-la (2K)tre-o-la

Lombardisch ritme en inégales (17e en 18e eeuw)
Tenslotte nog een zaak van de uitvoeringspraktijk: in de 17e en 18e eeuw was het gebruikelijk melodieën te voorzien van allerlei versieringstonen (diminutietechniek). Wat minder bekend is dat ritmische manieren van versieren ook voorkwamen. De uitvoerder besliste daarover op grond van zijn bon goût. Hieronder zie je een reeks genoteerde zestiende noten, die destijds (bij benadering) op twee manieren kon worden uitgevoerd.

inegales (6K)

De eerste variant kenmerkt zich door het Lombardisch ritme met de kortste noot op het sterke maatdeel; de tweede wordt omschreven als inégales, waarbij de langste noot op het relatief sterkste maatdeel staat. In beide gevallen is er dus sprake van een gepuncteerd ritme.


Vorige | Volgende